
Regie: Erich von Stroheim Scenario: June Mathis & Erich von Stroheim Met: Gibson Gowland, Zasu Pitts, Jean Hersholt, Dale Fuller e.a. 239 min / USA / 1924 Voor Digg*ers van: megalomane filmprojecten, een stille versie van There Will Be Blood Al sinds de uitvinding van de film werden pogingen ondernomen om, zowel vormelijk als narratief, de limieten van het medium af te tasten. Terwijl de Russische pioniers hun bekende montagetheorieën begonnen uit te denken, ontstond in Hollywood een wedloop om de langste, grootste, meest definitieve film, die alle andere overbodig zou maken. D.W. Griffiths meest megalomane projecten ‘Birth of a Nation' en ‘Intolerance', respectievelijk 180 en 197 minuten lang, leken een eerste ijkpunt te vormen, maar ‘Greed', het magnum opus van acteur-regisseur Erich von Stroheim, verlegde qua ambitie alle grenzen. Von Stroheim wilde absoluut alle scènes op locatie filmen, spendeerde een half miljoen dollar aan productiekosten - toen een ongezien hoog bedrag - en leverde een final print af die maar liefst negen uur duurde. Onder impuls van MGM, de studio die ‘Greed' zou uitbrengen, werd de film radicaal ingekort, tot er uiteindelijk een versie van een dikke twee uur overbleef. Tot overmaat van ramp werden de geknipte scènes vernietigd door een onwetende conciërge, zodat we de film die von Stroheim initieel had gemaakt waarschijnlijk nooit te zien zullen krijgen. Het dichtst in de buurt komt wellicht de reconstructie die in 1999 werd uitgevoerd: een vier uur durende versie, waarin de ontbrekende beelden werden vervangen door originele filmstills. Dat verhaal over het productieproces is intussen zo bekend dat de eigenlijke inhoud van de film op de achtergrond is verzeild geraakt. ‘Greed' heeft het grootste deel van zijn status verworven als het ultieme bewijs van de dictatoriale macht van de Hollywoodstudio's, die elke vorm van artistieke vrijheid in de kiem willen smoren. Een vraag die volgens mij net iets te weinig gesteld wordt, is of de kwaliteit van ‘Greed' niet gebaat is geweest bij die zogenaamde verminking. Eerlijk gezegd ken ik niet veel verhalen die interessant genoeg zijn om negen uur lang te blijven boeien - om niet te zeggen: geen enkel. Waarom zou ‘Greed', gebaseerd op Frank Norris' roman ‘McTeague', daarop een uitzondering moeten vormen? John McTeague (Gibson Gowland) is een simpele maar opvliegende average Joe, die na het overlijden van zijn aan drank verslaafde vader een carrière wil uitbouwen als tandarts. Zodra zijn goede vriend Marcus (Jean Hersholt) hem laat kennismaken met de schuchtere Trina (Zasu Pitts), voelt McTeague zich voor het eerst in zijn leven aangetrokken tot het vrouwelijke geslacht. Marcus heeft zelf ook een boontje voor Trina, maar trekt zich ridderlijk terug wanneer McTeague hem zijn gevoelens vertelt. ‘Vriendschap boven alles,' verklaart Marcus, ‘we mogen onze vriendschap niet verknoeien vanwege een vrouw.' Vanaf dat ogenblik onderneemt McTeague zo veel wanhopige pogingen om Trina voor zich te winnen dat ze niet anders kan dan toegeven en met hem trouwen. Iedereen gelukkig dus, voor even. Pittiger wordt het wanneer Trina dankzij een winnend lottobiljet zomaar even 5.000 dollar in de schoot krijgt geworpen. McTeague wil een deel van het geld gebruiken om van het leven te genieten; Trina sterft nog liever dan één cent te moeten delen; en Marcus begint te beseffen dat hij zich nogal gemakkelijk aan de kant heeft laten schuiven. Von Stroheim heeft zijn pionnen in stelling gebracht. De strijd die zij zullen beslechten, is er een op leven en dood. Natuurlijk gaat het in ‘Greed' om veel meer dan de 5.000 dollar die Trina heeft gewonnen. Het geld vormt slechts de aanleiding, de sneeuwbal die de vernietigende lawine op gang brengt. Het gaat om rijkdom, om macht en - opvallend voor een stille film - om seks. Zo is er een scène waarin Trina verdoofd in McTeagues tandartsstoel ligt, klaar om door de tandarts verzorgd te worden. Als hij zich over haar heen buigt, wordt McTeague echter gegrepen door de plotse drang haar te zoenen. Hij probeert hardnekkig de verleiding te weerstaan, maar kan zichzelf hoe langer hoe minder in bedwang houden. Het is een fantastische scène, waarin de naïeve McTeague zich van zijn meest onaangename kant laat zien. Plots krijgen we een ander, meer genuanceerd beeld van hem, als iemand die neemt wat hij kan en daarbij niet of nauwelijks rekening houdt met de gevoelens van anderen. Terwijl we McTeagues duistere verlangens leren kennen - zijn wenkbrauwen lijken op te zwellen telkens hij zich kwaad maakt - evolueert Trina van een charmante bruid naar een krankzinnige krent die er blijkbaar een plezier in heeft om halfnaakt (!) over haar centen te rollen. Met haar expressieve ogen, haar dikke, gitzwarte haar en haar lijkbleke gelaat heeft ze bij momenten iets weg van een bezeten maar breekbaar heksje, een Helena Bonham Carter avant la lettre. Ook Marcus, die weliswaar een pak minder in beeld komt dan de andere twee, ondergaat een fascinerende transformatie tot een verbitterde, op wraak beluste valsaard. Het knappe is dat von Stroheim, zeker in het geval van McTeague en Trina, de gevoelens van zijn personages niet simplificeert: toch een zeldzaamheid in de stille cinema. Zelfs wanneer de haat hoogtij viert, krijgen we op een titelkaart te lezen dat Trina nog altijd van haar echtgenoot houdt, misschien nog meer dan voordien. Meermaals worden we eraan herinnerd - McTeague die zijn vrienden trakteert, Trina die gaat schoonmaken op het plaatselijke kerstfeest - dat het, ondanks hun hebzucht, au fond geen slechte mensen zijn. Het is alsof hun geleidelijke ondergang wordt bewerkstelligd door factoren waarover ze zelf geen controle hebben. Von Stroheim onderscheidt zich verder als een meester van de statische longtake, waardoor de mise-en-scène een cruciale rol krijgt toebedeeld. Dankzij de veelzeggende mimiek van zijn acteurs en de rijke, prominent aanwezige symboliek valt er weliswaar voldoende te zien om het grootste gedeelte van de film interessant te houden. Misschien beweegt de camera nog het meest van al tijdens de filmstills, die volgens mij nog meer dan de oorspronkelijk opnames een idee geven van von Stroheims visuele flair. Met hun zorgvuldige opbouw en hun indrukwekkende schaduwspel lijken de foto's uit een of andere Duitse expressionistische film te zijn weggeplukt. Eveneens opmerkelijk is het terugkerende beeld van twee uitgemergelde armen die doorheen tralies naar gouden (ingekleurde) munten grabbelen. Het mensbeeld van von Stroheim lijkt verontrustend cynisch, en het hoeft dus niet te verbazen dat Lars von Trier, dat andere enfant terrible van de cinema, de ‘von' in zijn naam bij wijze van hommage heeft overgenomen. The man you love to hate, zo werd von Stroheim tijdens zijn carrière genoemd. Als acteur speelde hij voortdurend de schurkenrol; als regisseur was hij een megalomane perfectionist, die eiste dat zijn crew voor hem tot op het uiterste zou gaan. Iedereen verklaarde hem voor gek toen bleek dat hij de slotscène van ‘Greed' wilde gaan opnemen in de woestijnvlakte van Death Valley, bij helse temperaturen. Het was er naar verluidt zo verstikkend warm dat er gekoelde handdoeken rond de camera's moesten worden gewikkeld en dat de ziekelijk vermagerde Jean Hersholt begon te vrezen voor zijn gezondheid. Je zou dus zeker vraagtekens kunnen plaatsen bij von Stroheims vermeende genialiteit, als het eindresultaat tenminste niet zo overweldigend was geweest. ‘Greed' toont tenslotte de mens in al zijn lelijkheid, in al zijn weerzinwekkendheid, maar tegelijk ook in al zijn menselijkheid. De enige film die qua inhoud en qua grandeur de vergelijking enigszins doorstaat, is There Will Be Blood van Paul Thomas Anderson. Daar hebben we, zeggen en schrijven, 83 jaar op moeten wachten.
Door Ben Conaerts 28/02/2010 - categorie : classics - 
verstuur dit artikel aan een vriend    Share on Facebook
 Lees de reacties (2) van anderen of geef uw mening
|