
Regie: Alan J. Pakula Scenario: William Goldman Met: Dustin Hoffman, Robert Redford, Jack Warden, Jason Robards, Martin Balsam, Hal Holbrook e.a. 138 min. / USA / 1976
De belangrijkste regel tekst in ‘All The President’s Men’ komt ergens halverwege de film, wanneer een anonieme informant van Washington Post-journalist Bob Woodward zegt: ‘De waarheid van deze zaak is dat we hier te maken hebben met kerels die niet zo snugger zijn. En het is allemaal uit de hand gelopen.’ Hetzelfde kan gezegd worden voor grosso modo de hele geschiedenis: mensen met geld en macht willen hun posities veilig stellen en doen alles wat nodig is om dat te bereiken. De gevolgen zullen zichzelf dan wel uitwijzen – op die manier zijn oorlogen begonnen en schandalen losgebarsten.
Schandalen zoals de beruchte Watergate-affaire – in 1972, in de aanloop naar de presidentiële verkiezingen waarin Richard Nixon z’n tweede termijn zou behalen, werden vijf mannen gearresteerd tijdens een inbraak in het hoofdkwartier van de Democraten in het Watergate hotel. Vanaf het begin bleek er een vreemd randje aan de hele zaak te zitten: de inbrekers waren gekleed in maatpakken, hadden honderden dollars en geavanceerde apparatuur op zak. Eén van hen beweerde achteraf een gepensioneerde veiligheidsadviseur te zijn, die had gewerkt voor de CIA. Een ander verklaarde als beroep: “anti-communist”.
Bob Woodward en Carl Bernstein, twee krantenmannen voor de Washington Post, begonnen de zaak uit te spitten en leverden over de loop van de volgende twee jaar wat algemeen beschouwd wordt als hét ultieme staaltje van onderzoeksjournalistiek. Ze volgden een spoor van donaties aan de inbrekers dat terugleidde naar het Comité Voor Herverkiezing Van De President – geld dat normaal gezien gebruikt moest worden om campagne te voeren voor Nixons tweede termijn, werd aangewend om de tegenstander uit te schakelen. Het plaatsen van afluisterapparatuur in het Watergate maakte slechts een klein deel uit van die operaties – politieke tegenstanders werden bespioneerd, gechanteerd en kregen af te rekenen met vreselijke gevallen van eerroof. Het onderzoek van Woodward en Bernstein verplichtte justitie om de zaak verder te onderzoeken, en uiteindelijk konden de banden met het Witte Huis niet verborgen blijven. Nixon won zijn tweede termijn, maar moest in 1974 “vrijwillig” aftreden.
De artikels van de Washington Post van die tijd worden nu nog steeds aangehaald als een lichtend voorbeeld van onafhankelijke journalistiek die politieke propaganda overstijgt en enkel geïnteresseerd is in de waarheid. Journalistiek zoals het zou moeten zijn: het werk van een paar integere mannen, dat aan het einde van de dag zelfs in staat is om een reële verandering te bewerkstelligen. Dit is één van de zeldzame voorbeelden van een geval waarin de pers op eigen houtje verder ging onderzoeken en zich door niemand liet tegenhouden om de waarheid aan het licht te brengen – voor een land waarin de media doorgaans (terecht) wordt verweten dat ze geen enkele kritische zin hebben en enkel de officiële standpunten van de overheid overnemen, is dat een uitzonderlijke prestatie.
Alan J. Pakula regisseerde ‘All The President’s Men’ in 1976, nauwelijks twee jaar nadat de hele affaire had plaatsgevonden, en de topicaliteit van het onderwerp was ongetwijfeld doorslaggevend voor het succes ervan. Vraag anders maar eens aan een publiek om meer dan twee uur stil te zitten en te luisteren naar een aantal personages die tegen elkaar aan het praten zijn. Over politiek dan nog. Dat is onbegonnen werk, maar Watergate was een hot topic, iedereen wilde dit gezien hebben. Nu, bijna dertig jaar later, blijft het een relevant werk, boeiend van begin tot eind en voor elke kijker die z’n ogen halfweg openhoudt, doorwrochten van parallellen met onze eigen tijd, waarin we opnieuw een Amerikaanse president hebben die het niet altijd even nauw neemt met de ethiek om verkozen te worden.
Wat ‘All The President’s Men’ zo memorabel maakt, is de fenomenale manier waarop de regisseur omgaat met dialoog. De hele film is opgetrokken uit lange brokken dialoog, conversaties die minutenlang aanslepen en tóch moet je proberen om dat allemaal interessant en – indien mogelijk – zelfs suspensevol te houden. Pakula maakt gebruik van een inventieve trukendoos om dat te doen: hij houdt Woodward (Robert Redford) en Bernstein (Dustin Hoffman) constant in beweging terwijl ze praten. Ze voeren discussies terwijl ze door de gangen van hun eigen kantoor of van overheidsgebouwen benen, terwijl ze in een lift staan of heel vaak, terwijl ze in hun auto zitten, onderweg van de éne getuige naar de andere. Telefoonconversaties, op hun beurt, spelen zich meestal af tegen de achtergrond van een krantenredactie waar het nooit een seconde stil is – typemachines, gemompel van andere redacteurs, tv’s die staan te spelen... We krijgen altijd de indruk van actie, terwijl het enige dat er gebeurt, die dialoog is tussen die enkele personages. Er gebeurt niks, maar het lijkt alsof er heel wat gebeurt.
Komt daar nog bij dat die dialogen zeer goed geschreven en gespeeld zijn – normaal gezien hebben filmteksten een soort van onnatuurlijke vloeiendheid, alsof elk personage al op voorhand weet wat z’n repliek zal zijn. Hier niet – Redford, Hoffman en de anderen praten over elkaar heen, stellen dezelfde vraag twee keer omdat ze elkaar niet begrepen hebben, verspreken zich en moeten zichzelf dan verbeteren... Al die kleine storende factoren die je hebt tijdens élke conversatie, behalve dan tijdens conversaties in een doorsnee film. In één scène praat Bernstein met een mogelijke bron op het terras van een café – tijdens hun gesprek vliegen er twee vliegtuigen over, zodat ze hun stem moeten verheffen om elkaar nog te verstaan. In hoeveel films zul je dat tegenkomen? Dat is simpelweg zeer goed schrijf- en regisseerwerk, gecreëerd door mensen die niet bang zijn om de ruwe kantjes die eigen zijn aan het echte leven, binnen te laten sluipen in hun film.
Ook de fotografie, van cinematograaf Gordon Willis (die van ‘The Godfather’) is opmerkelijk. Zoals in die eerdere film, speelt Willis hier op een vindingrijke manier met licht en schaduwen, zodat we veel shots krijgen waarin de personages maar gedeeltelijk zichtbaar zijn. Ontmoetingen met informant Deep Throat (genoemd naar de beroemde pornofilm, jawel), vinden plaats in ondergrondse parkeergarages zodat Deep Throats gezicht hoofdzakelijk verlicht wordt door het puntje van z’n sigaret, telkens wanneer hij een trek neemt. Woodward en Bernstein gaan van deur tot deur bij mogelijke bronnen alsof ze twee Jehova’s Getuigen zijn, hun gezichten grotendeels in schaduw, enkel verlicht door het lampje dat de meeste mensen aan hun voordeur hebben hangen. Dat soort van fotografie voegt toe aan de documentaire sfeer van de film. Het vaakst geïmiteerde shot van ‘All The President’s Men’ is ironisch genoeg één van de zeer weinige bewust artificiële opnames in de hele prent: de twee journalisten zitten in een bibliotheek lezerskaarten te doorbladeren en in drie of vier fade-overs krijgen we een steeds wijder beeld van die bibliotheek, van bovenaf bekeken. Eerst zien we enkel hen getweeën, dan de mensen aan de naburige tafeltjes en uiteindelijk de hele, immense leeszaal. Een zeer knap shot, maar strikt genomen is het stijlbreuk met de rest van de film.
‘All The President’s Men’ is nog steeds één van de ultieme praatfilms – niet alleen hebben de personages hier belangrijke dingen te zeggen, maar de regisseur is ook slim genoeg om ons dat gepraat op zo’n manier te serveren, dat we écht willen luisteren.
Door Dennis Van Dessel 24/10/2004 - categorie : movie - 
verstuur dit artikel aan een vriend    Share on Facebook
 Lees de reacties (6) van anderen of geef uw mening
|