 Regie: Martin Scorsese 246 min. / I-USA / 1999
Cinefielen zijn vreemde wezens, waar normale mensen doorgaans liefst zo ver mogelijk van weg blijven. Net zoals iedereen die geobsedeerd is door een bepaald onderwerp, of dat nu film is, muziek, literatuur, voetbal of wat dan ook, voelt elke cinefiel een bepaalde dwang om zich met films bezig te houden. Andere mensen, normale mensen, gaan naar de bioscoop bij wijze van ontspanning, om zich te vermaken op een zaterdagavond. Een cinefiel gaat omdat hij een bepaalde film nu eenmaal gezien moét hebben. Geen “misschien”, geen “als ik even tijd heb”, geen “ik zal ‘m wel meepikken als ze ‘m op tv geven”, neenee, vergeet het maar. Je moét die film zien, want als je die film niet ziet dan, dan, dan... Tja, dan zal je oude moeder ter plekke dood neervallen, je huis zal afbranden, je zal miserabel en eenzaam sterven en je lijk zal pas gevonden worden wanneer de buren na een week of twee de stank niet meer kunnen harden en de politie bellen. En het soort films waar hij zich verplicht voelt naar te kijken, zijn zelden vrijblijvende komedietjes met Will Smith, of actiefilms van Jerry Bruckheimer. Die kunnen leuk zijn, veronderstel ik, maar ze zullen niemands leven veranderen. De films die je bijblijven, waar je hart sneller van gaat slaan, zijn doorgaans degenen die méér willen bereiken en betekenen, die meer ambitie hebben dan enkel vermaak. Oké, dat zijn dan dikwijls ook wel de moeilijkere films, soms ontoegankelijk, soms pretentieus – maar altijd met een ziel, met een emotionele of intellectuele kern die ervoor zorgt dat we ze niet kunnen vergeten.
Een deel van de mensen die dit leest, zit nu begrijpend te knikken. Dat zijn de mensen die, zoals ik, regelmatig de fout maken om tegen hun vrienden lange verhalen af te steken over films die die anderen nooit gezien hebben en die hen geen bal interesseren. De laatste jaren probeer ik erop te letten dat zo min mogelijk te doen – nu giet ik m’n enthousiasme in m’n recensies en zit u ermee opgescheept. En dan is er een heel groot deel van de mensen die dit leest, die dat allemaal maar pretentieuze flauwekul vindt en naar de nieuwste Amerikaanse remake van een Japanse horrorfilm wil gaan zien. Het ga hen goed.
Martin Scorsese is zo’n beetje de ultieme cinefiel, en ‘Il Mio Viaggio in Italia’ is zijn vier uur durende liefdesbrief aan de Italiaanse films die zijn jeugd mee bepaald hebben en zijn carrière als regisseur hebben gestuurd. Over de loop van de documentaire schetst hij de loopbanen van regisseurs als Roberto Rossellini, Vittoria de Sica, Frederico Fellini en Luchino Visconti – eerst geeft hij een algemeen overzicht van wie ze waren en in welke context hun films geplaatst moeten worden, vervolgens geeft hij een uitgebreide analyse van drie of vier van hun projecten. Scorsese neemt er z’n tijd voor, met lange fragmenten die dikwijls ook gewoon voor zichzelf mogen spreken. Aan het einde van de rit – 240 minuten die voorbij vliégen – hebben we niet alleen een academische syllabus gekregen van de Italiaanse cinema tussen pakweg 1940 en 1965, maar we hebben ook kunnen delen in de overzadigbare filmpassie van iemand die niets liever doet dan naar films kijken en ze maken.
Dat is wat Scorsese naar zijn documentaire brengt: hij ziet die films oprecht graag, hij is verliefd op elke seconde ervan, en dat gevoel probeert hij op de kijker over te brengen. De manier waarop hij dat doet, is door zo min mogelijk te vervallen in technische details. Hij steekt zelden of nooit litanieën af over belichting of camerabewegingen, maar probeert duidelijk te maken welk emotioneel effect de films hadden op hem persoonlijk. Hij vertelt over de omstandigheden waarin hij ze bekeek, thuis op tv of in een bioscoop in de buurt, en doet pogingen om, zo goed en zo kwaad als het kan, het gevoel dat hij ervaarde bij het kijken, over te brengen op z’n eigen publiek.
Dat wil niet zeggen dat Scorsese af en toe niet technisch wordt – vooral zijn besprekingen van ‘Senso’ van Visconti, ‘L’avventura’ van Michelangelo Antonioni en ‘8 1/2’ van Fellini besteden veel aandacht aan de manier waarop techniek wordt gebruikt om de inhoud te ondersteunen. Goeie filmmakers – en geen enkele daarvan heeft de naam Michael Bay of John Turtletaub – hebben altijd een reden om hun camera ergens neer te zetten. Vaak is dat een zeer praktische reden, soms een pretentieus-artistieke. Maar er gaat altijd een redenering achter schuil, en Scorsese wijst ons daarop, door commentaar te geven over fragmenten uit de films. Maar uiteindelijk keert hij toch altijd terug naar de emotionele ervaring – het is technologie ten dienste van inhoud en gevoelens, niet ten dienste van zichzelf.
Scorsese toont zich hier, net als in z’n eerdere documentaire ‘A Personal Journey Through American Movies’, simpelweg een filmenthousiast, iemand die niet kan leven zonder films en die z’n passie wil delen met anderen. Zoals hij het zelf uitlegt in z’n commentaar, is de Amerikaanse cinema zodanig dominant geworden dat de Europese films vergeten dreigen te worden – dat is in Europa zelf al het geval, kun je nagaan hoe erg het in de VS wel gesteld moet zijn. Ook hier in België en Nederland worden alle films die niet Engels gesproken zijn, beschouwd als “anderstalige” films. Zelfs Nederlands gesproken prenten. De beste manier om mensen aan te zetten om naar bepaalde films te kijken, beweert Scorsese, is door aan je vrienden te vertellen: ‘Ik heb die en die film gezien, het was een goeie, jij moet ook gaan kijken.’ En dat is precies wat de regisseur hier probeert te doen. Hij heeft die Italiaanse films gezien en ervan genoten, en hij probeert ons zover te krijgen dat we ze ook gaan opzoeken. En met succes: zijn liefde voor de prenten is zo aanstekelijk, dat je na het bekijken van z’n documentaire ogenblikkelijk de dichtstbijzijnde videotheek wilt binnenstormen om elke Italiaanse film die je maar kunt vinden buiten te zeulen.
Dit is een grootmeester van de cinema die z’n persoonlijke favorieten met ons deelt. Waarom doet hij dat? Om dezelfde reden dat een andere cinefiel z’n vrienden steendood verveelt met lange verhalen over de films die hij zelf indrukwekkend vond: omdat hij niet anders kàn. Omdat hij over die films moét praten, want anders dan zal z’n ouwe moeder steendood neervallen, z’n huis afbranden en hijzelf miserabel en eenzaam sterven om pas twee weken nadien gevonden te worden wanneer de buren de stank niet meer kunnen harden.
Door Dennis Van Dessel 07/08/2005 - categorie : movie - 
verstuur dit artikel aan een vriend    Share on Facebook
 Lees de reacties (2) van anderen of geef uw mening
|